Burgerinitiatieven bieden allerlei diensten in zorg en welzijn aan en zijn hiermee een waardevolle aanvulling op de dienstverlening van gemeente Rotterdam – en een verrijking van de stad. Door verschillen in werkwijze en doelstelling verloopt de samenwerking tussen burgerinitiatieven en de gemeente overigens niet altijd even soepel. Om de samenwerking makkelijker, vanzelfsprekender, gelijkwaardiger en vruchtbaarder te maken is de gemeente bezig met het ontwikkelen van een nieuw beleidsinstrument: het Right to Cooperate.
“Iedere wijk kent die energie, die kracht. De kunst als overheid is om die te vinden en te mobiliseren. Dat kan gaan op individueel niveau tot aan organisaties. […] Niet wij maken het verschil, maar de bewoners zelf. Dus het contact dat je met hen hebt, en het vermogen om hen te mobiliseren, dat is heel essentieel.”
Gescheiden werelden
Met dit project hebben de gemeente, een vijftal initiatieven, en de ESDH in een diepgaand ontwerpproces verkend hoe dit Right to Cooperate vorm kan krijgen. Gedurende dit proces heeft de ESDH co-creatiesessies georganiseerd en gefaciliteerd, literatuuronderzoek gedaan, interviews afgenomen, en de opbrengsten hiervan samengebracht in een concreet ontwerpvoorstel. Gedurende het traject werd duidelijk dat de werelden tussen gemeente en initiatief vaak gescheiden zijn en blijven – er is dus geen sprake van daadwerkelijke samenwerking. Dit werd de kern van het ontwerpvoorstel, wat een cyclus voorstelt waarin gemeente en initiatief samen doelen identificeren, hier uitvoering aan geven, deze waarderen en evalueren, en op basis hiervan lessen en successen borgen. Voor elk van deze activiteiten zijn concrete interventies voorgesteld, zoals het opstellen van een akkoord, het aanstellen van een ‘partner in residence’, het houden van een schouw, en het maken van een reisgids.
Een recht
Het traject legde de verschillende werelden tussen gemeente en initiatief bloot, en bood handvatten om deze meer bij elkaar te brengen. Daarmee bood het ook een ander perspectief op het ‘Right to Cooperate’. Niet als een recht waarmee eenzijdig samenwerking afgedwongen kan worden – wat hoogstwaarschijnlijk niet gaat werken. Maar als een leercyclus waarin naar verloop van tijd de werelden bij elkaar gebracht worden en zo de randvoorwaarden ontstaan voor vruchtbare samenwerkingen.
“Wij leven in een leefwereld en systeemwereld. Hoewel ik eigenlijk denk, het zijn allebei systemen. Wij zijn meer het informele systeem, zij meer het formele. Dingen werken gewoon anders. Drijfveren en grenzen zitten heel anders in elkaar. Snappen dat het niet gelijkvormig, maar wel gelijkwaardig is, formeel en informeel.”
Elementen van het voorstel en dit nieuwe perspectief op samenwerking zijn niet alleen meegenomen in de verdere ontwikkeling van het Right to Cooperate bij de gemeente Rotterdam, maar ook in een onderzoeksproject bij de gemeente Arnhem genaamd ‘Vernieuwend Samenwerken’.
Wat zagen we?
In zowel de praktijk als de wetenschap wordt het belang van samenwerking tussen overheid en initiatieven in het adresseren van maatschappelijke vraagstukken steeds meer benadrukt. Alleen omdat de werelden van overheid en initiatief zo verschillend zijn is samenwerking zelden vanzelfsprekend – er wordt een andere taal gesproken, op een andere manier gewerkt, en op een andere manier naar maatschappelijke waardecreatie gekeken. Zoals beschreven legde dit traject deze verschillende werelden bloot, en bood het concrete manieren om deze bij elkaar te brengen. Bovendien: het co-creatietraject was op zichzelf een manier om de werelden bij elkaar te brengen. Gedurende het traject leerden ambtenaren en initiatieven elkaar beter kennen, kregen ze begrip voor elkaar, en ontstonden er gaandeweg gezamenlijke doelen en een gezamenlijke taal. Zo was ook het proces – en niet alleen de uitkomst – van meerwaarde.

